Boos

Er zijn van die dagen
dan moet je even niets vragen
Mij niet willen bereiken
niet eens aan durven kijken

Ik maak hierover echt geen grap
als ik met het verkeerde been het bed uit stap
is het weer zo’n dag
dat ik lekker boos wezen mag

Boos over zomaar iets
mijn bed, het eten of mijn fiets
over kiezen of delen
over niets doen en vervelen

Je kunt het zo gek niet verzinnen
er schiet me altijd iets te binnen
er is altijd wel een doorn
voor mijn tijdelijke toorn

Maar als de wolken weer verdwijnen
en mijn zonnetje weer gaat schijnen
is mijn boosheid weer voorbij
want eigenlijk ben ik liever Blij….

Gradje

Het zal altijd zo zijn. Als mensen over daklozen spreken, is het altijd negatief. Natuurlijk blijven slechte dingen altijd bij, maar niemand kent het verhaal van Gradje.

Gradje (Grada) was een doorsnee poldervrouw. Getrouwd met een stevige boer met een redelijke veestapel, een mooie boerderij op de koop toe. Het huwelijk was een “moetje”, maar ze was al jaren verliefd en verloofd met Hein, ze trouwden alleen wat eerder dan gepland.
Een tweeling was hun extra kado geweest.
Zo doorsnee als Gradje was, zo apart was Hein. Aan de ene kant een goede boer, aan de andere kant een heerser over zijn gezin. Hein regeerde met harde hand, zowel naar Gradje als naar de tweeling. En die harde hand gebruikte hij keer op keer, als iets niet ging zoals hij verwacht had. De tweeling was net zeven jaar, toen de Kinderbescherming erin gemengd werd. De oplettendheid van de school kon groter leed deels voorkomen, en de tweeling werd uit huis geplaatst. Gradje bleef verongelijkt achter bij haar kwelgeest.
Ze had zich voorgenomen, dat alles goed zou komen. Maar niets was minder waar. Nog geen jaar later kwam ze er achter, dat Hein zijn broek liever liet zakken bij de meisjes van plezier dan bij haar.
Die dag, totaal ontredderd, hakte ze een knoop door. Een rugzakje met wat kleding was haar enige bagage, toen ze de trein naar Amsterdam instapte. En drie uur later doodmoe op een bankje bij het Rokin in slaap viel.
Gradje was toen net 26 jaar, maar voelde zich twee maal zo oud. Ze sliep van narigheid op straat, in portieken. Gradje leefde in haar eigen anominiteit, bedelend, zwervend. En hoewel ze een graag geziene gaste in de opvang was, niemand kon haar juk doorbreken.
Twee jaar na haar plotselinge vertrek maakte Gradje kennis met Sander, een jonge hulpverlener. Die was de eerste, die haar verhaal te horen kreeg. En hoewel hij niet veel kon doen, besloot hij uiteindelijk haar te helpen.
Zijn hulp was toen niet meer nodig. Gradje had zich opgegeven voor een talentenjacht, voor de grap. Maar toen ze, met bedroefd gezicht, een aria inzette, was haar kostje gekocht.
Niemand kent het verhaal van Gradje, maar als ze met een overdosis in het Vondelpark gevonden was ….

Sissende zon

Zo’n eerste lentedag, heerlijk aan het strand. Lekker, laat in de middag, toch maar even een korte wandeling. Even de brein schoon waaien, en daarbij genieten van de laatste zonnestralen.
Eigenlijk is het geen strandweer, een enkele strandtent is open en achter het glas lijkt het net zomer. Maar op het strand voel je toch wel, dat de winter ook maar net het land uit is.

Gelaten bekijk ik de mensen, die, net als ik, toch even genieten van het plotselinge mooie weer.
Een grote Duitse Herder duikt vol overgave achter een bal aan … de zee in. Een rilling loopt over mijn rug, dat is me nog iets te koud. Zijn baasje vindt dat blijkbaar ook, gelet op de schreeuw die uit zijn mond komt. De bal is belangrijker … pas als de hond deze in zijn bek heeft, loopt hij, water afschuddend, terug naar zijn baasje.
Een jong koppeltje loopt gearmd langs de waterlijn, af en toe springend voor het opkomende water. Een wagen van de Reddingsbrigade rijdt voorbij, stopt bij een bord.
Er loopt in de verte een man met een handkar. Volgens mij is dat een jutter,  ik heb hem wel eens eerder gezien. Een oude man, die het strand afspeurt naar wat wij normale mensen rommel noemen. Ik bekijk het strand voor mij … nou, die zal weinig vinden.

Het wordt wat frisser, de zon begint langzaam te verdwijnen achter de horizon. Om een ander deel van de aarde weer van zijn  warmte te voorzien. Het wordt weer tijd om te gaan. Op mijn gemak, heerlijk uitgerust, bekijk ik de de ondergaande zon. Ik hoor wat meeuwen schreeuwen, de zachte wind ruist door mijn oren. Maar is het de wind wel, of het geluid van een sissende zon, die zich verkoelt aan het koude water van de Noordzee.

Lentekriebels

Een waterig zonnetje
over een mistig weiland
De eerste tulpjes
tonen hun kleur

Een musje hupt
voorzichtig van tak naar tak
laat z’n eerste noten horen
als korte lentegroet

De eerste zonnestralen
bereiken mijn gelaat
Een warm gevoel borrelt op
Lentekriebels….

Frietjes

Terwijl ik de grote klodder mayonaise beroer, blijkt dat de vriendelijke man achter de toonbank de patat niet vergeten. Voorzichtig probeer ik een frietje uit de mayonaise te vissen.
Ik moet bekennen, dat patat mij de laatste tijd minder kan bekoren. O ja, ik lust het wel, eerlijk gezegd ben ik een liefhebber van een goede aardappel, of deze nu gekookt, gepureerd of gebakken is. En een lekker frietje gaat er echt wel in, maar wekelijks is nu hooguit maandelijks.
De naam heeft wel iets: frietje. Vooral als je bedenkt, dat het een verbastering is pommes frites, wat dan weer gefrituurde aardappel betekent.
Ik probeer me voor te stellen, wie het toch moet hebben verzonnen om de lekkere aardappel in olie te willen bakken. En eigenlijk is het antwoord zo simpel. De frietjes (patat) komt uit België.
Het waren de inwoners van de visserijsteden in België die in de winter reepjes aardappel in olie bakten, als zij door de strenge vorst niet uit konden varen voor de vivangst. Pas veel later werd de patat geserveerd bij de maaltijd als welkome vervanger van de gekookte aardappel.
Ondertussen is mijn frietje op … en mijn interesse weg. Leuk om over na te denken, maar de enige die het wat kon schelen was mijn maag…

Mijn fles

Geen thuis
de fles
als enige vriend

Iedere keer
neem ik weer
die laatste slok

En iedere ochtend
snak ik weer
naar de eerste

Verkleumd
zoek ik
naar de warmte

De warmte
van mijn vriend
de fles

De enige
die mij trouw is
die luister

Luister
naar mijn verhaal
mijn probleem

En iedere keer
de oplossing
voor mij vindt

Waarom
heb ik
vrienden nodig

Als ik mij
veilig kan voelen
in mijn fles

Centraal Station

Ratelende borden
Een vrouwenstem schalt
Een man fluit
Mensen rennen in het rond

Iedere ochtend
hetzelfde lawaai
dezelfde drukte
om van A naar B te gaan

Niemand kijkt op
blik op oneindig
altijd gehaast
als een grote kudde

Eenzaam dwaal ik rond
tussen reizigers
en treinen
in de hel van Centraal Station

Maar één ding

Ze hadden het helemaal uitgedacht. Vrijdagmiddag zouden ze in één klap rijk zijn.
Om twee uur ‘s middags zou de geldwagen bij de bank aankomen. Deze zou dan geld brengen voor de geldautomaat aan de achterzijde van de bank. De geldloper had gemiddeld een kwartier nodig om de cassette af te geven bij de baliemedewerker.
Om half drie zouden ze met zijn tweeën de bank binnen rennen, gemaskerd en bewapend. Ze zouden niet langer dan tien minuten binnen blijven en de inhoud van de cassette in een zak doen. De derde man zou om tien over half drie de auto voor de nooduitgang zetten, waar de andere twee dan uit zouden komen.
Daarna was het een peuleschilletje. In  één ruk zouden ze door rijden naar het industriegebied. Daar stond de tweede wagen geparkeerd. Met die wagen zouden ze naar een oude loods rijden, zich daar omkleden en het geld verdelen. Uiteindelijk zouden ze om vijf uur uit elkaar gaan als drie rijke mannen en elkaar nooit meer spreken.

Ze hadden het helemaal voor elkaar … Echter, één ding hadden ze over het hoofd gezien. Naast de bank stond het politieburo.

Vergrijzing

Als ik in de spiegel kijk, besef ik me, dat die grijze haartjes niet weg zullen gaan. Het zullen er meerdere worden, bedenk ik mij en haal de kam er nog eens door. Het zal niet lang meer duren, of ik zal mee gaan helpen aan de vergrijzing.

Vergrijzing, zo’n heerlijk woord, volgens mij verzonnen door een donkerharige jonge politicus, die zeker wist, dat hij voorlopig nog geen grijze haren zou krijgen. En eigenlijk is het nogal discriminerend. Want … wie maken het land? Juist de ouderen. Maar door de vergrijzing zijn er meer ouderen dan jongeren. Wat een logica…

Voorlopig blijft het nog bij een enkele grijze haar, en schamen ervoor doe ik niet. Het is nu eenmaal de wet van de Natuur. Op een gegeven moment wordt je grijs … ach, kan er ook wel bij.

Verhaal van Arend

Het was een lange nacht geweest voor Arend. Vannacht was er niet veel van slapen gekomen. Zwaar vermoeid probeerde hij zijn auto op de snelweg te houden, terwijl die rare nacht door zijn hoofd spookte.

Stekende pijnen hadden hem gewekt. Zijn hoofd leek een speldenkussen, waar iedere seconde een naald ingeprikt werd. Bijna blind van de pijn was hij uit bed gestrompeld, struikelend over rondslingerende schoenen. In het donker vervloekte hij de verduisteringsgordijnen, die zijn vrouw pas geleden had aangeschaft. Verdoofd door de helser wordende pijn wist hij de badkamer te bereiken.
Het licht ging als een flits door zijn bonkende hoofd. Het enige waar hij aan kon denken was water. Hij dook onder de douchekop en liet het koude water stromen. Een hemels gevoel van verlichting schoot door Arend heen. De druk, de steken, het bonken … langzaam ebde het weg.
“Denk je dat je dit lang volhoudt”, hoorde hij ineens. Door de druppels heen zag hij zijn vrouw staan.
“Ik kan nog uren doorgaan met steken”, ging ze met een lage, dreigende stem verder. “Ik ga door tot je niet meer weet wie of wat je bent.”
En weer schoot de stekende pijn door zijn hoofd. “Straks ben je niet meer dan een mentaal wrak”, siste zij hem toe. Ze stond niet meer dan een halve meter van hem af. In haar ene hand herkende hij de foto, die ze tijdens hun vakantie op de Antillen hadden laten maken. Ze stonden samen op die foto, ze hadden hem laten maken door een nogal vreemd mannetje.
In de andere had ze een dikke naald, waarmee ze in de foto prikte.
“Psychisch gestoord wrak … en de rest van je leven in een gesticht. De papieren liggen al klaar. Morgenochtend wordt je waarschijnlijk wakker in een dwangbuis …”, siste ze door. De stekende pijn ebde weer weg.
“Voodoo …”, stamelde hij.
Hij hoorde haar grinniken. En zag de naald weer naar de foto gaan. Met een zwaai sloeg hij de foto uit haar hand. Het leek alsof hij een klap in zijn gezicht kreeg, maar zijn vrouw leek door de badkamer te vliegen. Met een krakend geluid landde haar hoofd op de rand van de badkuip.

Hij had niet meer naar haar gekeken. Die klap … hij had haar vermoord, hij was er zeker van. Hij begreep meteen, dat niemand hem zou geloven. En dus was hij op de vlucht geslagen.
Met moeite hield hij zijn ogen open, turend naar de weg voor hem. Een vrachtwagen denderde hem voorbij.
Plotseling voelde hij een steek in zijn hoofd. Onbewust stuurde hij zijn auto naar de vrachtwagen toe….

Vorige Oudere items

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.